| Aantekeningen |
- Notaris van Osselen te Putten, 25 maart 1871, nrs 427, 426 en 428:
Inventaris:
Op verzoek van Gerrit Knipper, schipper te Putten, weduwnaar van Batje den Herder die op 16 juli 1866 is overleden, voor zichzelf als voor zijn enig minderjarige kind Heintje Knipper, in tegenwoordigheid van Johannes Gijsbertus Moorrees, candidaat notaris te Putten, in hoedanigheid van toeziend voogd op voornoemde minderjarige, wordt de boedel opgemaakt.
Een zogenaamde Pielschuit met staand en lopend want totaal geschat op 675 gulden en daarnaast kleding en toebehoren voor in totaal 55 gulden en verder een vordering van 135 gulden en een schuld van 35 gulden begrafeniskosten.
idem, huwelijksvoorwaarden:
Gerrit Knipper, schipper te Putten, weduwnaar van Batje den Herder bruidegom ter ener en Aaltje Tamboer, zonder beroep te Putten bruid ter andere zijde, minderjarig, waarvan ouders en grootouders zijn overleden, en daarom bijgestaan door de toeziend voogd Cornelis van Drie dagloner te Putten en Aart van den Brink, gemeenteveldwachter te Putten als gevolmachtigde welke comparanten verklaren een huwelijk aan te willen gaan onder de volgende voorwaarden:
De bruidegom brengt in zijn aandeel in de gemeenschappelijke boedel van zijn overleden echtgenote,
De bruid haar kleren en lijfstoebehoren en contanten voor een som van vijftig gulden.
idem, 2 februari 1872, nrs 558 en 426, 427 en 428, inventaris:
1. Aart de Wild, dagloner te Putten, in hoedanigheid van voogd over Heintje Knipper, enig nagelaten en nog minderjarig kind van Gerrit Knipper en Batje den Herder overleden op respectievelijk 8 april 1871 en op 18 juli 1866,
2. Aaltje Tamboer, zonder beroep, weduwe van wijlen genoemde Gerrit Knipper, ten deze handelend voor haar huwelijksrechten,
3. Eibert den Herder, schipper, wonende aan de Biesel te Nunspeet als gemachtigde van Johannes den Herder, schipper, woonachtig te Ermelo, in diens hoedanigheid van toeziend voogd op genoemde Heintje Knipper,
maken op verzoek van Aaltje Tamboer de inventaris op van wijlen Gerrit Knipper en maken daarbij gebruik van de aangifte zoals die is opgemaakt door Rik Knipper die inwoonde bij de overledene. De inventaris is op 25 maart 1871 geschat (426, 427 en 428) en behoeft niet opnieuw te worden geschat rekening houdend met de ingebrachte goederen door de tweede echtgenote.
De inventaris betreft een pielschuit van 675 gulden en meubilair en goederen van 55 gulden, totaal dus 730 gulden.
Een vordering op Hendrik van den Hazel groot 114 gulden en 72 cent met wie de overledene een houthandel dreef,
Gereed geld 187 gulden,
Schulden onder andere 125 gulden aan de scheepmaker Schouten te Muiden en verder nog schulden 228 gulden en 31 cent in totaal dus 353 gulden en 31 cent schulden.
|